Het boek vertelt het leven en de filosofie van Arthur Schopenhauer vanaf zijn vroege jaren tot zijn overlijden, in de context van de 19e-eeuwse cultuur en wetenschap. Safranski beschrijft hoe Schopenhauer zich ontwikkelde tot een van de meest uitgesproken en eigenzinnige denkers van zijn tijd: zijn tocht via familierelaties, reizen, academische frustraties en poetische invallen naar een filosofie van wil, voorstelling en pessimisme. De titel “de woelige jaren van de filosofie” verwijst naar de turbulente ontwikkeling van de filosofie in die periode — van Hegel en idealisme tot existentialisme — en Schopenhauer plaatst zich daarin als kritisch buitenstaander.
Daarnaast gaat het boek in op Schopenhauers kernideeën: de concepten van de ‘wil tot leven’, het lijden als wezenlijk deel van menselijk bestaan, en de mogelijkheid tot esthetische bevrijding of contemplatie als toevlucht. Safranski laat zien hoe deze opvattingen niet geïsoleerd zijn: ze groeien uit persoonlijke ervaringen, historische omwentelingen en relaties met tijdgenoten. Het resultaat is een portret van zowel filosoof als mens, waarin denken en biografisch leven onlosmakelijk verbonden zijn.
Tot slot onderzoekt Safranski de erfenis van Schopenhauer: hoe diens gedachtegolven doorwerken in latere filosofie, literatuur, psychologie en populaire cultuur. Hoewel Schopenhauer in zijn eigen tijd controversieel was en weinig erkenning genoot, blijkt zijn invloed later breed en diepgaand — denken over wil, vrije tijd, kunst, pessimisme en bevrijding blijft relevant. Het boek biedt daardoor niet alleen een historische biografie, maar ook een reflectie op hoe een denker zich verhoudt tot zijn tijd en tot ons.