Toen in mei 1940 de bezetting intrad, viel het openbare leven niet stil.
Trams bleven rijden, ambtenaren bleven werken, theaters bleven open. De hele handel richtte zich zeker in de eerste jaren met volle inzet op de nieuwe machtige klant: de bezetter.
En naast en achter die bezetter stelde zich van stond af aan een zeer gevarieerde waaier van collaborateurs en meelopers op. De kunsthandel, die juist zo’n moeilijke tijd had doorgemaakt in de jaren dertig, bleek ineens weer een bedrijfstak met grote winstmogelijkheden. Vooral omdat de bezetters grote interesse toonden en hun koopdrift niet door gebrek aan fondsen werd geblokkeerd.
De kunsthandel waarin zulke geweldige winsten te behalen bleken, speelde zich af in een obscuur schemergebied tussen verregaande meeloperij en directe economische collaboratie. Daarbij voegde zich weldra het gruwelijke misbruik dat gemaakt kon worden van de gediscrimineerde en vervolgde positie waarin onze joodse landgenoten kwamen te verkeren.
Aan de positie van deze kunsthandel- in-hausse met alle wrange bij aspecten van dien is ook in publikaties over kunst tijdens de bezetting in het algemeen en over de houding van het bedrijfsleven weinig of geen aandacht besteed. Dat is niet zo verwonderlijk: de wereld Van de kunsthandel was en is vanouds een voor buitenstaanders moeilijk te doorgronden wereld met
eigen regels en wetten. En binnen die wereld heerst al jaar en dag een neiging zich te houden aan een anonieme maar alomtegenwoordige zwijgplicht. Adriaan Venema heeft die zogenaamde zwijgplicht doorbroken en lichtte de deksel van wat eens toch ook verhelderd moest worden: de wereld van de kunsthandel 1940-1945. Hij spreekt daarbij geen oordelen uit, hij geeft slechts feiten. Hij is de stipte, straffe chroniqueur. De feiten spreken voor zich zelf.