In dit boek wordt nagegaan in hoeverre het belastingrecht grenzen stelt aan de mogelijkheden van aandeelhouders hun vennootschap met vreemd vermogen te financieren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de financieringsvrijheid (in hoeverre hebben aandeelhouders de vrijheid om hun vennootschap met eigen dan wel met vreemd vermogen te financieren) en de kwalificatievrijheid (in hoeverre hebben aandeelhouders de vrijheid om een vermogensverstrekking aan hun vennootschap als eigen dan wel als vreemd vermogen te kwalificeren). Nagegaan wordt of het wenselijk is om deze vrijheden, met behulp van aanvullende regelgeving of anderszins, nader in te perken.